homeover het npicontactcolofon

logoBoeken en artikelen

Otto Kernberg(2006). Identity: Recent Findings
Psychoanalytic Quarterly, 75, 4, 969-1004

Bespreking door J.Ubbels, psychoanalyticus, werkzaam bij het NPI

In dit artikel beschrijft Kernberg de theoretische achtergronden en de opbouw van een (semi-) gestructureerd interview waarmee een dieper inzicht kan worden verkregen in de aard van een identiteitsstoornis. Het is een belangrijk, klinisch instrument, dat overigens niet geschikt is voor proefondervindelijk wetenschappelijk onderzoek, omdat
de behandeling van persoonlijkheidstoornissen samenhangt met de ernst van de identiteitsstoornis. De dimensies hiervan – een ernstige of minder ernstige identiteits-’diffusie’ – verdienen meer wetenschappelijke aandacht.
Allereerst wordt in het artikel een overzicht gegeven van de inzichten van Erikson en Blos over de normale en pathologische ontwikkeling van identiteit in de adolescentie. Daarbij wordt ook het omvangrijke empirische onderzoek op dit gebied betrokken. Opvallend is dat veel literatuurreferenties uit de jaren zeventig en tachtig dateren. De meer recentere referenties, bijvoorbeeld naar Wilkinson-Ryan en Westen (2000) (de laatste publiceerde decennia eerder over de maatschappelijke betekenis van identiteit) handelen over identiteitsdiffusie bij borderlinestoornissen. Dit bevestigt de indruk dat de aandacht geleidelijk is verschoven van Eriksons concept uit de jaren vijftig en zestig over de maatschappelijke betekenis van de identiteitscrisis naar dat van de identiteitsdiffusie als centrale karakteristiek van de borderlinestoornis.
Na dit overzicht wordt uiteen gezet hoe momenteel op het Personality Disorders Institute van Cornell University gedacht wordt over definitie en karakteristieken van de identiteitsdiffusie. Uitgangspunt is de hedendaagse object relatie theorie die stelt dat alle internalisaties van de relaties met betekenisvolle anderen, verschillende karakteristieken hebben onder invloed van interacties met een zeer hoge (‘peak’) en een geringe affectieve lading. Allerlei ontwikkelingsprocessen, zoals het cognitieve leren begrijpen van wat waargenomen wordt en van diverse aspecten van de werkelijkheid, vinden plaats bij een lage affectieve activering. Binnen deze modaliteit ontwikkelen zich werkmodellen over zichzelf en de wereld om zich heen, en over het begrenzende onderscheid tussen binnen- en buitenwereld.
Specifieke internalisaties daarentegen vinden plaats bij een hoge activatie van affecten waardoor affectieve herinneringssystemen worden gevormd die een belangrijke motivationele betekenis hebben bij het handhaven van homeostase: het zoeken naar omstandigheden met een positieve affectieve piek en het vermijden van een negatieve piek. Binnen dit dynamische kader vinden dan splijtingen plaats tussen geïdealiseerde, positieve ervaringen en bedreigende, negatieve ervaringen die weliswaar geprojecteerd worden in de buitenwereld maar de persoon in kwestie toch blijven achtervolgen (‘persecutory’). Bij een normale identiteitsontwikkeling is er een integratie van de verschillende representaties. Een kind herkent dat het zowel ‘goede’ als ‘slechte’aspecten heeft, en dat datzelfde geldt voor de moeder en de belangrijke anderen, waarbij de goede aspecten in voldoende mate de overhand hebben om een geïntegreerd beeld van zichzelf en anderen te kunnen verdragen.
Als het ontwikkelingsstadium van een normale, geïntegreerde identiteit niet wordt bereikt, dan blijven deze splijtingen tussen geïdealiseerde en ‘persecutory’ deelaspecten van zichzelf in relatie tot betekenisvolle anderen, bestaan. Bij een identiteitsdiffusie zijn er interne werkmodellen actief waarin het beeld van zichzelf en anderen op een georganiseerde manier gesplitst is in gefragmenteerde representaties met verschillende polen van tegengestelde affectdisposities.
Vervolgens geeft Kernberg een kort overzicht van het empirische onderzoek op het gebied van genetica, neurobiologie en hechting, waarna hij uitvoerig stilstaat bij het werk van Fonagy, Target en Allen. Kernberg beschrijft hoe hij met hen van mening verschilt over de betekenis van het ‘paranoid domain of experience’ waarbij het negatieve affect leidt tot een ernstige beperking in het mentaliseren. In de verschillende betekenissen van mentaliseren komt onvoldoende tot uiting dat er een verschil is tussen het vroege vermogen om onderscheid te maken tussen zelf- en objectrepresentatie, en de latere integratie van tegenstrijdige representaties van anderen en zichzelf.
Na deze theoretische overwegingen beschrijft Kernberg het gestructureerde interview waarmee een dieper inzicht kan worden verkregen in de differentiaal diagnose tussen de identiteitscrisis en de verschillende dimensies van de identiteitsdiffusie van de persoonlijkheidsstoornissen.
(Stap 1:) Het interview begint met een evaluatie van symptomen, gebieden van slecht functioneren en moeilijkheden die de patiënt in interacties en in het onderhandelen over gewone psychosociale situaties ondervindt.
(Stap 2:) In de tweede fase van het interview wordt de huidige levenssituatie geëxploreerd, zowel prive als op het gebied van werk en vrije tijd.
Bij deze exploratie wordt het geleidelijk mogelijk om de visie van de patiënt op zijn eigen levenssituatie in verband te brengen met problemen binnen de interactie met de diagnosticus.
(Stap 3:) De derde stap van het interview handelt over de relatie met de twee of drie belangrijkste personen in het leven van de patiënt.
(Stap4:) Wanneer opvallende gedragingen, moeilijk navolgbare affecten, inhouden van gedachten of formele aspecten van de verbale communicatie daar tijdens het interview aanleiding toe hebben gegeven, dan kan de diagnosticus in de laatste fase van het interview daar tactvol vragen over stellen.
Een tactvolle confrontatie maakt het een patiënt met een redelijke werkelijkheidstoetsing mogelijk om bij zichzelf waar te nemen wat een bepaalde reactie bij de interviewer heeft teweeggebracht. Een antwoord waarmee hij of zij iets kan uitleggen waardoor een uiting voor de interviewer minder vreemd en raadselachtig wordt, zegt iets over de werkelijkheidstoetsing.
Het behoud van gewone sociale tact en toetsing van de werkelijkheid wordt expliciet door Kernberg genoemd als een belangrijke indicator van de ernst van de identiteitsdiffusie, belangrijker dan verschijnselen zoals primitieve afweermechanismen zoals die zich in interactie met de onderzoeker manifesteren.

Beschouwing
Het concept ‘identiteit’ geeft iets weer van het subjectieve beleven van continuïteit, kracht en zich ingebed voelen (solidariteit) met de normen, waarden en idealen van de groep waarbij men zich voelt horen. “Wie ben ik, wat kan ik, bij wie wil ik horen en welke plaats zou ik later willen innemen?”, zijn normale vragen in de adolescentie. In de literatuur zijn vele voorbeelden van de worsteling daarmee: Stephen Dedalus in Joyce’s Portrait of the artist as a young man, Youth Van Coetzee. Die worsteling kan zo diep zijn dat er over een ‘psychose’geschreven wordt. (Bijvoorbeeld: Van Tellegen, Matsier, ‘Luther als een jonge man’ van Erikson.) ‘Superego’-problematiek speelt bij de identiteitscrisis een belangrijk rol. Het normale superego krijgt immers pas in de adolescentie zijn definitieve vorm als gevolg van het integreren van de identiteit, en op zijn beurt wordt een normale identiteit beschermd door een normale ontwikkeling van het superego. In een normale identiteitsontwikkeling worden keuzes gemaakt. Als er geen keuzes gemaakt worden, stolt het tijdsbeleven en krijgt een identiteit geen vorm.
Toen de naoorlogse generatie van de babyboomers eind jaren zestig hun adolescentie beleefden, en er sprake was van een diepe generatiekloof tussen ‘voor’en ‘na’ de oorlog, was de ‘psychogene psychose’ met de identiteitscrisis van de adolescentie in zwang. Tegenwoordig wordt wetenschappelijk niet meer geloofd in het bestaan van een ‘psychogene psychose’, terwijl het begrip identiteitscrisis is overvleugeld door dat van de identiteitsdiffusie bij de ernstige persoonlijkheidsstoornissen en borderlineproblematiek.
Maar wat nu als de verwachtingen van de wereld waarin je bent opgegroeid, de wijze waarop de omgeving van mensen die je gevormd hebben en van wie je houdt tegen je aankijkt, niet langer overeenstemt met de eigen visie op jezelf? In geen fase van het leven verandert de zelfbeleving zo snel als in de adolescentie. Als er onvoldoende bevestiging door anderen van die veranderingen is, gaat men door een, soms heel diepe, crisis heen waarvan wij misschien wat al te gemakkelijk aannemen dat die ergens heen leidt en tot een nieuwe integratie zal leiden.
Dit is de sociale en psychologische situatie waar veel allochtone jongeren mee worstelen. Achter dit psychosociale probleem van een enorme omvang – tel alleen maar het aantal artikelen in de NRC van zaterdag 17 maart laatstleden waaronder een boeiend essay over het groeiende populisme van Van Doorn – gaan oneindig veel verhalen schuil die telkens anders zijn.
De problematiek waarmee allochtone jongeren zich bij de GGZ melden, lijkt vaak veel op de identiteitsdiffusie van borderline-problematiek. Nu weten wij uit het proefschrift van Martijn Meijer dat het borderline-beeld in de adolescentie regelmatig binnen enkele jaren weer verdwenen is. Verder vragen wij ons af of de eisen en ontwikkelingsuitdagingen die aan de identiteitsontwikkeling van allochtone adolescenten gesteld worden, niet zo groot zijn dat identiteitsdiffusie en identiteitscrisis makkelijk met elkaar verward worden. Met andere woorden: wordt bij allochtone jongen soms niet al te gemakkelijk de diagnose ‘borderline’ gesteld met een onvoldoende besef hoe diep identiteitsconflicten in het psychisch functioneren kunnen ingrijpen?
Dit recente artikel van Kernberg biedt een belangrijk theoretisch en klinisch handvat om daar meer zicht op te krijgen. Zoals in veel artikelen van Kernberg leidt de strikte, klinisch toepassing van het structurele model echter ook tot dichotomieën waartussen klinische keuzes gemaakt moeten worden terwijl het in werkelijkheid vaak om overgangen zal gaan die men zich niet dynamisch genoeg kan voorstellen. Een identiteit kan men verwerven - niet zelden in de vorm van een ‘negatieve’ identiteit - , een identiteit kan men verliezen en weer terugvinden. Men kan meerdere, zelfs tegengestelde identiteiten rustig in zichzelf naast elkaar verdragen. Het wordt pas een innerlijk conflict als die identiteiten sterk driftmatig bezet worden met aan elkaar tegengestelde driften en het Ik gedwongen wordt partij te kiezen (Arlow, 1963).

Literatuur:

Arlow, J. (1963). Conflict, Regression and Symptomformation. Int.J. of Psychoanalysis, 44, 12-22.

Wilkinson-Ryan, T. & Westen, D. (2000). Identity disturbance in borderline personality disorder: an empirical investigation. Amer. J. Psychiatry, 157(4): 528 541.

 

The designed self: psychoanalysis & contemporary identities

Bespreking van

The designed self: psychoanalysis & contemporary identities
Auteur: Carlo Strenger
Hillsdale/London: The Analytic Press 2005, 143 pp., ISBN: 0881634190

Gonda Slurink,
bibliothecaresse NVPA-bibliotheek, Olympiaplein 4, 1076 AB Amsterdam, [email protected]
Het boek is in de NVPA-bibliotheek aanwezig

Dit boek heeft als hoofdpersoon de generatie X, de generatie die volwassen werd in de jaren '80 en '90, in een maatschappij die sterk verschilde van die waarin hun ouders opgroeiden. De Israelische psychoanalyticus Strenger beschrijft de psychische werkelijkheid van deze mensen; de specifieke problemen waarmee het volwassen worden in de postmoderne wereld gepaard kan gaan en de consequenties die dit volgens hem heeft voor de klinische praktijk. Hij illustreert dit alles aan de hand van een zestal voorbeelden uit zijn praktijk.
In navolging van de Duitse analyticus Mitscherlich typeert Strenger generatie X als vaderloos, waarbij de vaderfiguur symbool is voor degene die het kind introduceert in de maatschappij. Niet alleen is het aantal scheidingen sinds de jaren '60 enorm toegenomen, waardoor een groot deel van deze groep daadwerkelijk zonder vader opgroeide, maar als gevolg van maatschappelijke veranderingen zou de traditionele vaderrol zelf aan belang ingeboet hebben. Zo betekende het wegvallen van sociale barrières een ongekende toename van mogelijkheden op het gebied van werk en levensstijl en dit heeft tot gevolg dat ouders hun kinderen vaak niet meer goed kunnen begeleiden. De paden die kinderen inslaan zijn voor ouders soms volslagen onbekend. Ook in cultureel opzicht boet de vader aan macht in. In de postmoderne, postideologische maatschappelijke en economische werkelijkheid heeft de traditionele en/of gecanoniseerde cultuur geen meerwaarde meer.
De ouders van generatie X zijn veelal babyboomers, de generatie die nieuwe vrijheden heeft moeten bevechten op hun ouders. In tegenstelling hiertoe heeft generatie X nooit hoeven rebelleren en daarmee ook geen sterke emotionele band met de cultuur van hun ouders gekregen. De betekenisloosheid van de culturele erfenis zou nog versterkt worden door een vaak anti-autoritaire, niet sturende houding van ouders die vrijheid immers hoog in het vaandel hebben. Generatie X zoekt haar rolmodellen niet in de generatie van de ouders maar veeleer onder succesvolle leeftijdgenoten, waarmee ze via de media ook voortdurend wordt geconfronteerd.
De toegenomen keuzevrijheid is geen vrijblijvende aangelegenheid. Zelfontplooiing is tot nieuwe norm geworden. Men moet auteur van zijn eigen leven zijn. De keuzevrijheid betekent ook dat niet slagen veel minder dan in het verleden aan omstandigheden kan worden geweten. Het zoeken naar de juiste weg stelt hoge eisen aan het individu, wat betreft inzicht in eigen sterke en zwakke punten, en men heeft behoefte aan hulp in dit proces. Bij de adolescenten die Strenger in zijn praktijk ontmoet staat deze existentiële problematiek op de voorgrond. Veelal is geen sprake van een syndroom dat in DSM termen kan worden geclassificeerd.
Dit heeft volgens hem consequenties voor het analytisch proces en voor de relatie tussen therapeut en patiënt. Generatie Xers zouden niet altijd baat hebben bij interpretaties die hun ervaringen aan een familieverleden verbinden of de analyse van overdracht. Ze zijn in feite vaak op zoek naar een vaderfiguur of mentor, iemand die hun talenten (h)erkent en hen steunt in hun proces van zelfontwerp.
De mentorrol van de therapeut veronderstelt een behoorlijke mate van gelijkwaardigheid en een vergaande persoonlijke betrokkenheid van de therapeut bij zijn patiënt. Uitgangspunt van Strenger is dat er veel mogelijkheden zijn een waardevol leven te leiden wat inhoudt dat hij ver mee kan gaan in de keuzes en experimenten van zijn patiënten. Wel gelooft hij dat de therapeut een affiniteit met zijn patiënt moet hebben. Techniek is geen afdoende factor in het slagen van een therapie.
In een groot deel van het boek wordt over generatie X geschreven alsof het om een homogene groep zou gaan. Pas de laatste gevalsbeschrijving betreft een vrouw, Ruth, die door haar sociale achtergrond belemmerd wordt in haar ontwikkeling. De dominante westerse Ashkenazi cultuur staat voor deze Sefardische zowel voor vrijheid als vernedering.

Strengers boek is helder en pakkend geschreven, dit laatste ook door de praktijkvoorbeelden. Zijn postmoderne visie op de huidige psychoanalyse als "a loosely connected culture of forming the self", in de zin van de Griek-Romeinse filosofische scholen is boeiend. Zijn visie op de therapeutische relatie is niet nieuw. Hierin sluit Strenger aan op gedachten die binnen de two person psychologie zijn ontwikkeld. Strenger's opvattingen hierover worden tot op zekere hoogte onderbouwd door onderzoek naar effectiviteit van therapieën zoals bijvoorbeeld genoemd door Trijsburg (1). In zijn relativering van waarden, van diagnostische labels en van therapeutische doelen gaat Strenger vermoedelijk verder dan menig ander, wat verfrissend is, alleen al omdat het de waardengebondenheid van therapieen bespreekbaar maakt. Het lijkt het mij daarmee tegelijkertijd een boek waar veel analytici bedenkingen bij zullen hebben. Het blijft de vraag of Strenger bij een aantal van zijn patiënten wel diep genoeg gaat maar ook of de zes patiënten waarmee hij zijn ideeën illustreert representatief zijn voor generatie X.
Wat betreft het laatste vind ik het jammer dat hij geen aandacht heeft voor verschillen binnen het westerse segment van de moderne samenleving. Hoewel harde sociale barrières in de moderne westerse maatschappij voor een groot deel zijn weggevallen is deze in veel opzichten nog verre van homogeen. Door de sterk toegenomen sociale mobiliteit heeft een veel grotere groep mensen te kampen met Ruth's problemen, zei het in minder sterke mate.
Er zijn nog wel wat meer kanttekeningen bij Strengers verhaal te plaatsen. Zo is het verschijnsel dat jongeren meer op elkaar gericht zijn dan op de ouders en dat sprake is van een jeugdcultuur niet typerend voor de moderne tijd (2). "Vaderloosheid" lijkt toch een beetje bij deze leeftijdsfase te horen. Dat leeftijdgenoten belangrijk zijn voor adolescenten betekent aan de andere kant weer niet dat de ouders dat dan niet meer zijn, ook in de moderne tijd niet (3). De invloed van het sociale milieu waarin men opgroeit, en dus van de ouders, blijft groot. Zo blijkt uit onderzoek dat jongeren zich aangesproken voelen door subculturen van de jeugdcultuur die wortelen in het milieu van hun ouders (4). Sociale en culturele factoren grijpen dieper in op de individuele psyche dan uit Strengers verhaal blijkt. In de keuzes voor levensstijl en carrière speelt de sociale en culturele achtergrond een grotere rol. Juist daarom zou aan dit soort zaken ook veel aandacht moeten worden gegeven in psychologische literatuur en klinische praktijk.

1.R.W. Trijsburg (2002): Interventies en interacties in de psychotherapie. Rede UvA 2001
2. R. Muchembled: De uitvinding van de moderne mens. Collectief gedrag, zeden, gewoonten en gevoelswereld van de middeleeuwen tot de Franse Revolutie. Contact 1991
3. B.v. Meeuws (1990): Ouders en leeftijdgenoten in het persoonlijke netwerk van jongeren. Pedagogisch Tijdschrift 15, p. 25-37 en W. Meeuws et al. (2002): Identiteitsontwikkeling in de adolescentie en de relatie tot ouders en leeftijdgenoten. Nederlands Tijdschrift voor de Psychologie 57, p. 42-57 in Ruud Abma en Peter Selten
4. S.M. Hall and T. Jefferson (eds.) (1976): Resistance through rituals. Youth subcultures in post war Britain. Hutchinson in Ruud Abma en Peter Selten

 

aanmelden nieuwsbrief

 

 

Home | Psychoanalyse nu | Opleiding | Onderzoek | Kwaliteitszorg | Verwijzers | Agenda | Boeken en artikelen | Linksnaar boven