homeover het npicontactcolofon

logoBoeken en artikelen

The designed self: psychoanalysis & contemporary identities

Bespreking van

The designed self: psychoanalysis & contemporary identities
Auteur: Carlo Strenger
Hillsdale/London: The Analytic Press 2005, 143 pp., ISBN: 0881634190

Gonda Slurink,
bibliothecaresse NVPA-bibliotheek, Olympiaplein 4, 1076 AB Amsterdam, [email protected]
Het boek is in de NVPA-bibliotheek aanwezig

Dit boek heeft als hoofdpersoon de generatie X, de generatie die volwassen werd in de jaren '80 en '90, in een maatschappij die sterk verschilde van die waarin hun ouders opgroeiden. De Israelische psychoanalyticus Strenger beschrijft de psychische werkelijkheid van deze mensen; de specifieke problemen waarmee het volwassen worden in de postmoderne wereld gepaard kan gaan en de consequenties die dit volgens hem heeft voor de klinische praktijk. Hij illustreert dit alles aan de hand van een zestal voorbeelden uit zijn praktijk.
In navolging van de Duitse analyticus Mitscherlich typeert Strenger generatie X als vaderloos, waarbij de vaderfiguur symbool is voor degene die het kind introduceert in de maatschappij. Niet alleen is het aantal scheidingen sinds de jaren '60 enorm toegenomen, waardoor een groot deel van deze groep daadwerkelijk zonder vader opgroeide, maar als gevolg van maatschappelijke veranderingen zou de traditionele vaderrol zelf aan belang ingeboet hebben. Zo betekende het wegvallen van sociale barrières een ongekende toename van mogelijkheden op het gebied van werk en levensstijl en dit heeft tot gevolg dat ouders hun kinderen vaak niet meer goed kunnen begeleiden. De paden die kinderen inslaan zijn voor ouders soms volslagen onbekend. Ook in cultureel opzicht boet de vader aan macht in. In de postmoderne, postideologische maatschappelijke en economische werkelijkheid heeft de traditionele en/of gecanoniseerde cultuur geen meerwaarde meer.
De ouders van generatie X zijn veelal babyboomers, de generatie die nieuwe vrijheden heeft moeten bevechten op hun ouders. In tegenstelling hiertoe heeft generatie X nooit hoeven rebelleren en daarmee ook geen sterke emotionele band met de cultuur van hun ouders gekregen. De betekenisloosheid van de culturele erfenis zou nog versterkt worden door een vaak anti-autoritaire, niet sturende houding van ouders die vrijheid immers hoog in het vaandel hebben. Generatie X zoekt haar rolmodellen niet in de generatie van de ouders maar veeleer onder succesvolle leeftijdgenoten, waarmee ze via de media ook voortdurend wordt geconfronteerd.
De toegenomen keuzevrijheid is geen vrijblijvende aangelegenheid. Zelfontplooiing is tot nieuwe norm geworden. Men moet auteur van zijn eigen leven zijn. De keuzevrijheid betekent ook dat niet slagen veel minder dan in het verleden aan omstandigheden kan worden geweten. Het zoeken naar de juiste weg stelt hoge eisen aan het individu, wat betreft inzicht in eigen sterke en zwakke punten, en men heeft behoefte aan hulp in dit proces. Bij de adolescenten die Strenger in zijn praktijk ontmoet staat deze existentiële problematiek op de voorgrond. Veelal is geen sprake van een syndroom dat in DSM termen kan worden geclassificeerd.
Dit heeft volgens hem consequenties voor het analytisch proces en voor de relatie tussen therapeut en patiënt. Generatie Xers zouden niet altijd baat hebben bij interpretaties die hun ervaringen aan een familieverleden verbinden of de analyse van overdracht. Ze zijn in feite vaak op zoek naar een vaderfiguur of mentor, iemand die hun talenten (h)erkent en hen steunt in hun proces van zelfontwerp.
De mentorrol van de therapeut veronderstelt een behoorlijke mate van gelijkwaardigheid en een vergaande persoonlijke betrokkenheid van de therapeut bij zijn patiënt. Uitgangspunt van Strenger is dat er veel mogelijkheden zijn een waardevol leven te leiden wat inhoudt dat hij ver mee kan gaan in de keuzes en experimenten van zijn patiënten. Wel gelooft hij dat de therapeut een affiniteit met zijn patiënt moet hebben. Techniek is geen afdoende factor in het slagen van een therapie.
In een groot deel van het boek wordt over generatie X geschreven alsof het om een homogene groep zou gaan. Pas de laatste gevalsbeschrijving betreft een vrouw, Ruth, die door haar sociale achtergrond belemmerd wordt in haar ontwikkeling. De dominante westerse Ashkenazi cultuur staat voor deze Sefardische zowel voor vrijheid als vernedering.

Strengers boek is helder en pakkend geschreven, dit laatste ook door de praktijkvoorbeelden. Zijn postmoderne visie op de huidige psychoanalyse als "a loosely connected culture of forming the self", in de zin van de Griek-Romeinse filosofische scholen is boeiend. Zijn visie op de therapeutische relatie is niet nieuw. Hierin sluit Strenger aan op gedachten die binnen de two person psychologie zijn ontwikkeld. Strenger's opvattingen hierover worden tot op zekere hoogte onderbouwd door onderzoek naar effectiviteit van therapieën zoals bijvoorbeeld genoemd door Trijsburg (1). In zijn relativering van waarden, van diagnostische labels en van therapeutische doelen gaat Strenger vermoedelijk verder dan menig ander, wat verfrissend is, alleen al omdat het de waardengebondenheid van therapieen bespreekbaar maakt. Het lijkt het mij daarmee tegelijkertijd een boek waar veel analytici bedenkingen bij zullen hebben. Het blijft de vraag of Strenger bij een aantal van zijn patiënten wel diep genoeg gaat maar ook of de zes patiënten waarmee hij zijn ideeën illustreert representatief zijn voor generatie X.
Wat betreft het laatste vind ik het jammer dat hij geen aandacht heeft voor verschillen binnen het westerse segment van de moderne samenleving. Hoewel harde sociale barrières in de moderne westerse maatschappij voor een groot deel zijn weggevallen is deze in veel opzichten nog verre van homogeen. Door de sterk toegenomen sociale mobiliteit heeft een veel grotere groep mensen te kampen met Ruth's problemen, zei het in minder sterke mate.
Er zijn nog wel wat meer kanttekeningen bij Strengers verhaal te plaatsen. Zo is het verschijnsel dat jongeren meer op elkaar gericht zijn dan op de ouders en dat sprake is van een jeugdcultuur niet typerend voor de moderne tijd (2). "Vaderloosheid" lijkt toch een beetje bij deze leeftijdsfase te horen. Dat leeftijdgenoten belangrijk zijn voor adolescenten betekent aan de andere kant weer niet dat de ouders dat dan niet meer zijn, ook in de moderne tijd niet (3). De invloed van het sociale milieu waarin men opgroeit, en dus van de ouders, blijft groot. Zo blijkt uit onderzoek dat jongeren zich aangesproken voelen door subculturen van de jeugdcultuur die wortelen in het milieu van hun ouders (4). Sociale en culturele factoren grijpen dieper in op de individuele psyche dan uit Strengers verhaal blijkt. In de keuzes voor levensstijl en carrière speelt de sociale en culturele achtergrond een grotere rol. Juist daarom zou aan dit soort zaken ook veel aandacht moeten worden gegeven in psychologische literatuur en klinische praktijk.

1.R.W. Trijsburg (2002): Interventies en interacties in de psychotherapie. Rede UvA 2001
2. R. Muchembled: De uitvinding van de moderne mens. Collectief gedrag, zeden, gewoonten en gevoelswereld van de middeleeuwen tot de Franse Revolutie. Contact 1991
3. B.v. Meeuws (1990): Ouders en leeftijdgenoten in het persoonlijke netwerk van jongeren. Pedagogisch Tijdschrift 15, p. 25-37 en W. Meeuws et al. (2002): Identiteitsontwikkeling in de adolescentie en de relatie tot ouders en leeftijdgenoten. Nederlands Tijdschrift voor de Psychologie 57, p. 42-57 in Ruud Abma en Peter Selten
4. S.M. Hall and T. Jefferson (eds.) (1976): Resistance through rituals. Youth subcultures in post war Britain. Hutchinson in Ruud Abma en Peter Selten

 

aanmelden nieuwsbrief

 

 

Home | Psychoanalyse nu | Opleiding | Onderzoek | Kwaliteitszorg | Verwijzers | Agenda | Boeken en artikelen | Linksnaar boven