homeover het npicontactcolofon

logoBoeken en artikelen

Dit is psychoanalyse. Een inleiding tot de geschiedenis, theorie en praktijk van de psychoanalyse.

Bespreking van Frans Schalkwijk (2006). Dit is psychoanalyse. Een inleiding tot de geschiedenis, theorie en praktijk van de psychoanalyse
Amsterdam; Boom, 359 pp., € 28,50.

Verschenen in De Psycholoog, nummer 7/8, 2006

De Salonfähigkeit van de psychoanalyse

Ruub Abma

Freud blijft intrigeren. Dit geldt niet alleen voor de wereldwijde kring van psychoanalytici, die nu zijn honderdvijftigste geboortejaar vieren, maar ook voor het grote publiek dat hem ziet als de ‘dieptepsycholoog’ bij uitstek. Psychologen staan doorgaans ambivalent tegenover Freud. Vaak vinden ze het wel leuk om iets van hem te lezen, maar ze hebben in hun opleiding geleerd dat Freud hoogstens gewaardeerd kan worden als iemand die ooit een paar aardige ideeën inbracht in de wetenschappelijke psychologie (een fasenmodel van de psychische ontwikkeling en de drieslag Id, Ego en Super Ego). Ze hebben echter vooral geleerd dat de psychoanalytische theorie onwetenschappelijk is en de psychoanalytische praktijk niet evidence-based.
Psychologen vinden het feit dat het grote publiek en veel aspirant-psychologiestudenten psychologie met Freud associëren dan ook niet prettig. De verhouding tussen psychologie en psychoanalyse is altijd problematisch geweest. Stel u voor: een groep jongetjes is bezig met veel moeite een trapkarretje in elkaar te knutselen, hunkerend naar bewondering van het omringende publiek, als hun oude oom in zijn glimmende oldtimer het plein op komt gereden en alle aandacht naar zich toetrekt. En terwijl oom Sigmund geniet van de publieke belangstelling, rest de jongetjes niets anders dan achter zijn rug onderdelen uit zijn auto te stelen voor eigen gebruik, er rondom deuken in te trappen en er graffiti op te spuiten. Maar nog verdwijnt het oude, gemolesteerde voertuig niet naar de sloop: het wordt liefdevol gerestaureerd door de intellectuele nazaten van de oorspronkelijke eigenaar.
Dat gebeurt ook in Dit is psychoanalyse van Frans Schalkwijk, psychoanalyticus en hoofdredacteur van het Tijdschrift voor Psychoanalyse. Hij behandelt vrijwel alle aspecten die relevant zijn voor een goed begrip van de psychoanalyse: de theoretische kernbegrippen, de praktijk, de geschiedenis, de rol van de psychoanalyse in de letteren en cultuurwetenschappen, het debat over de wetenschappelijke status van de psychoanalyse, en de huidige stand van zaken (theorie, praktijk, organisatie). Omdat zijn schrijfstijl aangenaam soepel is en de toon eerder zelfverzekerd dan defensief, is het een prettig boek om te lezen. Het is bedoeld ‘voor lezers die de analytische klok hebben horen luiden en willen weten waar de klepel hangt’ (p.12). Potentieel zou dit boek dus een groot lezerspubliek kunnen hebben, als we tenminste mogen aannemen dat mensen willen weten waar ze over praten als ze het over de psychoanalyse hebben.
Schalkwijk begint met een casus waarmee hij op een levendige wijze illustreert hoe een moderne psychoanalyticus te werk gaat: door blijven vragen, blijven zoeken naar de betekenis van uitlatingen en symptomen van de patiënt tot een samenhangende interpretatie is gevonden. Duidelijk wordt dat de betreffende patiënte onderhevig is aan een aantal emotionele conflicten die met haar jeugdjaren te maken hebben – geen oedipaal conflict, maar schaamtegevoelens over de rol van haar ouders en grootouders in de Tweede Wereldoorlog en een diepzittende pijn omdat ze op jonge leeftijd door haar moeder in de steek is gelaten. Ik vind het een goede keus van Schalkwijk om zo te beginnen: je doet het primaat van de behandelingspraktijk recht, en hebt ook direct een levensecht verhaal bij de hand om de uitgangspunten van de psychoanalyse te illustreren. Dit tekent overigens het hele boek: theoretische begrippen worden telkens op een vanzelfsprekende manier gekoppeld aan voorbeelden, en dat maakt het lezen tot een plezier (zelfs de paragraaf over het werk van Lacan is goed te volgen).
Het boek is zo opgebouwd dat je de ontwikkeling van het psychoanalytische denken in de afgelopen eeuw zich ziet ontrollen – met alle zijpaden, inhoudelijke meningsverschillen en ook de kritieken van buiten. In deel I krijgt de lezer na de bovengenoemde casus een korte inleiding in de psychoanalytische theorie. Schalkwijk maakt daarbij gebruik van  termen die gemeengoed zijn geworden in onze cultuur (maar meestal fout worden gebruikt): oedipuscomplex, penisnijd, het onbewuste, het ego, narcisme, bindingsangst en projectie. Een soort crash course ‘how to bluff your way into psychoanalysis’. Geen abstract-theoretisch, maar juist een heel dagelijks verhaal, net zoals het daarop volgende hoofdstuk over schaamte en agressie. Het ‘korte lontje’ dat we tegenwoordig zo vaak (bij anderen!) signaleren wordt hier op een intrigerende wijze in verband gebracht met schaamte: in de blik van een ander neem je een afkeuring waar die je als vernederend ervaart, maar die vaak het gevolg is van een projectie van eigen gevoelens van lage zelfwaardering.
Deel II omvat de geschiedenis van de psychoanalyse: de praktijk, de theorie, organisatie. Het hoofdstuk over Freud zelf (leven en werk) behandelt alle relevante aspecten, ook de theoretische ontwikkeling die in het werk van Freud is waar te nemen. Schalkwijk is een tegenstander van het canoniseren van Freuds werk, meermalen betitelt hij bepaalde elementen eruit (zoals de drifttheorie) als verouderd, en ook overigens geeft hij zich alle moeite om te laten zien dat de psychoanalyse zich sinds de tijd van Freud terdege verder heeft ontwikkeld. Zo behandelt hij in het vervolg van deel II de ideeën van Adler, Jung, Fromm en Lacan, en (in deel III) recente ontwikkelingen in de theorievorming, zoals de intersubjectieve psychoanalyse, de kruisbestuiving met de neurowetenschappen en de hechtingstheorie.
In deel II is nog een kort hoofdstuk gewijd aan de psychoanalytische beweging in Nederland. Hier neemt de auteur de gelegenheid te baat om de ‘scheurmakerij’ in deze gelederen aan de kaak te stellen – nota bene in 2005 nog heeft zich van de Nederlandse Vereniging voor Psychoanalyse de ‘Nederlandse Psychoanalytische Groep’ afgesplitst! Bezien vanuit de bepaalde niet luxueuze professionele situatie van analytici in de huidige tijd is dit onbegrijpelijk, en de kritische stellingname van de auteur is volkomen terecht. De neergang van de analyse als praktijk wijt hij niet alleen aan de biologisering van de psychiatrie en psychologie, of aan de hedendaagse voorkeur voor kortdurende, evidence-based behandelvormen zoals de cognitieve gedragstherapie. Hij vindt ook dat psychoanalytici de voor hen precaire stand van zaken voor een deel aan zichzelf te wijten hebben, doordat ze slechts een magere onderzoekstraditie hebben opgebouwd.
Deel IV gaat over de behandeling zelf, zowel de echte ‘psychoanalytische kuur’ als de psychoanalytische psychotherapie. Net zoals in hoofdstuk 1, maar nu uitgebreider, laat Schalkwijk zien wat zich in een hedendaagse psychoanalyse afspeelt, en waarin dat verschilt van andere benaderingen. Wanneer is bijvoorbeeld een analyse nodig? Allereerst moet er sprake zijn van langdurig en ernstig lijden (een levenslange contactstoornis bijvoorbeeld). Dat lijden is verspreid over meerdere levensgebieden, maar er moeten ook ‘eilandjes’ van goed functioneren zijn. Ten slotte geldt een regel van efficiëntie, waarbij ook een rol speelt wat de patiënt met de behandeling wil bereiken, welke andere therapievormen geschikt zijn, etc. Pas in laatste instantie kan een echte psychoanalyse overwogen worden (dat is immers een intensieve, veeleisende en kostbare aangelegenheid). Bij zo’n echte analyse is de aard van het proces ingewikkeld, ‘als het lezen van een boek door in willekeurige volgorde bladzijden op te slaan. Pas na lange tijd wordt de structuur van het boek duidelijk en eigenlijk zal nooit het hele boek gelezen en begrepen kunnen worden’. (p. 222).
Het slotdeel omvat een hoofdstuk over psychoanalyse en cultuur (met inbegrip van de analyse van literaire teksten en muziek), twee hoofdstukken over psychoanalyse en wetenschap, en een slothoofdstuk waarin hij zijn persoonlijke visie op de psychoanalyse geeft. In het hoofdstuk ‘Psychoanalyse in cijfers’ bespreekt Schalkwijk behalve een aantal feitelijke gegevens (‘er zijn in Nederland jaarlijks zo’n 600 patiënten in analyse’) de mogelijkheden van begrips-, proces- en effectonderzoek met betrekking tot de psychoanalyse. Daarna, in ‘Zonder kritiek vaart niemand wel’, gaat hij in op kritieken op Freud als practicus en wetenschapper, en op wetenschapsfilosofische discussies over de wetenschappelijke status van de psychoanalyse (onder andere Cioffi en Grünbaum). Schalkwijk neemt het standpunt in dat de ‘psychoanalyse een geesteswetenschap is die ervaringskennis verzamelt, en deze op een theoretisch hoger plan ordent en verklaart’ (p. 316). Hij gaat echter niet zover de psychoanalyse hermeneutisch op te vatten (zoals bijvoorbeeld de filosoof-analyticus Antoine Mooij dat doet), maar bepleit een empirische toetsing van psychoanalytische hypotheses, en een toewending tot de psychologie ‘om kennis te verwerven over de cognitieve processen in het onbewuste…’ (p.319). Het probleem is hier natuurlijk dat het onbewuste volgens de psychoanalyse, anders dan het onbewuste van de (cognitieve) psychologie, een gelaagd, conflictueus en dynamisch geheel is dat meer op emoties dan op cognities betrekking heeft. De inrichting van een adequaat experiment om aan die complexiteit recht te doen zal nog een hele toer zijn. Schalkwijk ziet dit wel, maar vindt het aanhaken bij de empirisch-analytische traditie toch nodig om de psychoanalyse in wetenschapsland ‘salonfähig’ te maken.
Ik heb hier twijfels bij, omdat je hiermee het risico loopt de coherentie van de psychoanalyse overboord te gooien (en daarmee het kind met het badwater), maar ik vind het interessant te lezen hoe er op dit vlak een toenadering ontstaat tussen psychologen en psychoanalytici. Het geeft ook een meerwaarde aan dit boek, dat op veel plaatsen het niveau van een inleiding ontstijgt en een volwassen discussie met de lezer aangaat. Dit is psychoanalyse kenmerkt zich door een uitstekend academisch niveau en is helder en uitnodigend geschreven. Omdat het niet alleen adequaat informeert over de psychoanalyse, maar ook theorie- en praktijkkwesties aan de orde stelt die voor alle psychologen relevant zijn, vind ik dit boek een must voor Nederlandse psychologiestudenten.

 

aanmelden nieuwsbrief

 

 

Home | Psychoanalyse nu | Opleiding | Onderzoek | Kwaliteitszorg | Verwijzers | Agenda | Boeken en artikelen | Linksnaar boven