homeover het npicontactcolofon

logoBoeken en artikelen

The analyst's analyst within

Wat gebeurt er innerlijk met onze leeranalyticus?

Bespreking van

Lora Heims Tessman (2003). The analyst’s analyst within. Hillsdale/Londen: The Analytic Press. ISBN 0 88163 351 8, 372 pp., $ 57,50;
verschenen in het Tijdschrift voor Psychoanalyse, 2006, 3, blz. 264-267

Antonie Ladan

Hoe kijkt een psychoanalyticus terug op het beëindigen van de eigen analyse? Op welke wijze is de eigen analyticus van binnen aanwezig? En hoe verandert dat in de loop van de jaren?
Om dit soort vragen te kunnen beantwoorden deed Lora Heims Tessman, verbonden aan het Massachusetts Institute of Psychoanalysis en het Institute for Psychoanalytic Training and Research in New York, een onderzoek met behulp van semigestructureerde interviews bij vierendertig analytici, van wie er achtentwintig twee of meer analyses doorgemaakt hadden. Het totale onderzoeksmateriaal betrof daarmee vierenzestig analyses. Bij het samenstellen van de onderzoeksgroep lette zij op het tijdstip waarop de betreffende analyse was beëindigd en op het aanwezig zijn van de vier mogelijke geslachtscombinaties. Vooraf kregen de deelnemers een globale opsomming van de vragen toegestuurd, bijvoorbeeld: ‹Wat voor iemand was je analyticus voor je gevoel tijdens de analyse, bij het beëindigen, in de jaren daarna en nu? Stel je voor dat jullie elkaar nu tegen zouden komen en vrijuit zouden kunnen praten: wat zou ieder van jullie zeggen? En wat wel denken, maar niet zeggen?› Afhankelijk van wat de analyticus te vertellen had vonden er één tot vier gesprekken van steeds twee uur plaats. De opgenomen gesprekken werden verbatim uitgetypt. Vervolgens konden de deelnemers in de transcripten aangeven welke delen zij eventueel niet gepubliceerd wilden hebben. Tevens werd aan iedereen gevraagd een pseudoniem te verzinnen en een beoordeling van de betreffende analyse te geven: zeer bevredigend, redelijk bevredigend of zeer onbevredigend.
Wanneer een analyse beëindigd wordt, is er volgens Tessman op ten minste drie terreinen sprake van verlies in relatie tot de analyticus. Allereerst gaat zijn of haar analytische functie verloren. Dit verlies kan voor een belangrijk deel worden goedgemaakt doordat de analysant het vermogen verwerft om zichzelf te analyseren. Een tweede verlies betreft het beëindigen van de grote intimiteit met de analyticus. Ook al kan de analysant zijn relationele energie productiever gebruiken in intieme relaties, toch gaat er bij het einde van de analyse iets verloren. Een derde verlies betreft de veranderingen die zich gaan voordoen in het beeld van de analyticus. Deze veranderingen kunnen de analytische verworvenheden vergroten, maar zij kunnen ook dusdanig ingewikkeld of teleurstellend zijn dat zij de bereikte positieve resultaten geheel of gedeeltelijk tenietdoen.
Van de vierenzestig analyses werden er vijfentwintig (39 procent) als zeer bevredigend geclassificeerd; vijfentwintig (39 procent) als redelijk bevredigend; en veertien (22 procent) als zeer onbevredigend. De grootste kans op een zeer onbevredigende analyse bestond bij de combinatie mannelijke analysant en mannelijke analyticus. Bij geslachtsverschil tussen analyticus en analysant was de kans op een als zeer bevredigend beoordeelde analyse het grootst.
Op basis van het interviewmateriaal formuleert Tessman een aantal factoren die een rol lijken te spelen bij hoe iemand zijn of haar analyse beoordeelt.
Bij de zeer bevredigende analyses komt één factor steeds naar voren: de analysant voelde een sterke affectieve verbondenheid met de analyticus, waarbij deze over wist te brengen dat de analyse en de analysant voor hem of haar van grote betekenis waren. Onderdeel van deze affectieve verbondenheid was de bereidheid van de analyticus om zich te verstaan met sterk wisselende en intense gevoelens. Dit impliceerde het kunnen verdragen van intense gevoelens van liefde, haat, angst en verdriet, gericht op de analyticus. Een tweede factor betrof de openheid van de analyticus in het niet uit de weg gaan van de eigen bijdrage aan de overdracht-tegenoverdrachtconfiguraties. Voor de analysant betekende dit onder meer dat het niet zijn taak was om de dyade te beschermen tegen ongewenste waarnemingen. Dit hield in dat de analyticus gezien kon worden als een ‹ander›, iemand met een eigen leven.
Een derde factor betrof het feit dat de analytische interactie niet beperkt werd door vooringenomen opvattingen over wat voor materiaal op wat voor ontwikkelingsniveau vooral aandacht verdiende. De analyticus probeerde de analysant niet in een mal te dwingen, maar was bereid hem of haar te volgen.
Op de vierde plaats kwam in deze groep naar voren dat de aard van de interventies niet beperkt was tot het uitsluitend bieden van ‹attunement› duidelijk aan de ene kant of het installeren van ‹otherness› aan de andere. Het betrof altijd een flexibel wisselen tussen beide polen in een optimaal ritme.
Een vijfde bevinding betrof de overtuiging van de analysant dat hij of zij door de analyticus gezien werd als een persoon ‹voorbij de patiënt›, die ook een permanente plaats in het innerlijk van de analyticus innam.
Bij de zeer onbevredigende analyses onderscheidt Tessman vier configuraties die lijken te verhinderen dat de analysant zich voldoende affectief engageert.
In de eerste configuratie werd de analyticus ervaren als chronisch vijandig, afgunstig of bezig met het uitleven van een competitieve instelling ten opzichte van de analysant, zonder dat dit alles werd erkend of geanalyseerd. De verantwoordelijkheid voor wat er gebeurde werd vanzelfsprekend en automatisch bij de patiënt gelegd. In de groep van redelijk bevredigende analyses werd deze configuratie ook door een aantal analysanten gesignaleerd, met als grote verschil dat dit binnen hun analyse aan de orde kon komen.
Een tweede obstakel betrof het bestaan van een intrusieve agenda bij de analyticus, door Tessman betiteld als de ‹Pygmalion-tegenoverdracht›. Hierbij lijkt de analyticus ervan overtuigd dat hij of zij terecht bezig is met het kneden van een kandidaat tot een evenbeeld van zichzelf, met de daarbij behorende gevoelens van teleurstelling, verraad en verwerping, wanneer de kandidaat daar onvoldoende toe in staat is of rebelleert. Wanneer de kandidaat, om wat voor redenen dan ook, niet kan rebelleren, resulteert vaak masochistische aanpassing.
In de derde configuratie waren analytici in emotioneel opzicht zo afgeschermd en onbereikbaar dat een affectieve dialoog niet mogelijk was. Soms leek het hierbij te gaan om analytici die een habituele geneigdheid vertoonden om zich, in reactie op emoties, in zichzelf terug te trekken. In andere gevallen betrof het depressieve analytici en dan met name degenen die zich daarbij terugtrokken in pessimistische onverschilligheid.
In de vierde en laatste configuratie was er een duidelijke kwetsbaarheid van de analyticus, die deze zelf niet aan de orde kon of wilde stellen. Bepaalde observaties konden dan niet uitgesproken worden en de analysant moest veel energie besteden aan het loochenen van zijn waarneming.
Verreweg de meeste deelnemers begonnen aan hun analyse met ernstige problemen met hun zelfgevoel. Zij waren bang dat de analyticus hen zou doorzien en zou verwerpen. Bij de bevredigende analyses werd dit negatieve zelfbeeld steeds minder uitgesproken, doordat de analysant zichzelf in toenemende mate kon gaan zien en waarderen door de ogen van de analyticus.
Bij als onbevredigend beoordeelde analyses werd het negatieve zelfbeeld beschreven als iets dat permanent aanwezig was in het geestesoog van de analyticus. Wanneer de analyticus op deze manier werd ervaren, bestonden er aanzienlijke verschillen in de mate waarin de analysanten zich van deze beschadigende waarneming konden ontdoen. Tessman haalt in dit verband Fonagy aan, die deze verschillen toeschrijft aan het vermogen om de geestestoestand van de teleurstellende ander te mentaliseren.
Tessman voert een interessante discussie over de positie en de betekenis van de leeranalyticus en over de complicaties die op kunnen treden wanneer deze feitelijk macht heeft over de analysant. Wat zij hier te berde brengt vormt een belangrijk argument tegen opleidingen die door een kleine groep mensen worden verzorgd, met alle incestueuze verstrengelingen die daar inherent aan zijn. Ook laat Tessman zien dat het verband tussen een bevredigende analyse en het vermogen van de analysant om later met plezier als analyticus te werken minder eenduidig is dan we vaak aannemen. Veel is afhankelijk van het vermogen van de analysant om zich uiteindelijk niet primair te identificeren met de analyticus maar vooral de analytische relatie te internaliseren. Ook hierin speelt, zeker wanneer er sprake was van een als negatief beleefde analyticus, het vermogen om te mentaliseren waarschijnlijk een grote rol.
Tessman wijdt drie hoofdstukken aan termineren: het einde van de analyse, de rouw en het weggaan. Zij gaat onder meer in op het misverstand dat het de-idealiseren van de analyticus het opgeven van de liefdesband zou moeten betekenen. De-idealiseren kan bij uitstek plaatsvinden door een grotere intimiteit en de daaraan verbonden kennis.
Er lijkt geen automatische verbinding te zijn tussen een bevredigend verlopen analyse en het zich eigen maken van het vermogen tot zelfanalyse. Soms geeft een teleurstellend resultaat juist een impuls in die richting, denk bijvoorbeeld aan Kohut. Tessman onderscheidt twee manieren waarop zelfanalyse gebruikt wordt: om meer inzicht te verwerven en om meer affectief welbevinden te bereiken en de affectregulatie te verbeteren. Zij staat vervolgens uitvoerig stil bij de dilemma’s die contacten na het einde van de analyse kunnen oproepen en geeft hiervan verhelderende voorbeelden. Tessman ziet een duidelijke relatie tussen het innerlijke beeld van de analyticus en een bevredigend verlopen analyse. Hoe bevredigender de analyse, hoe groter de kans dat de analyticus op een levendige wijze aanwezig blijft in de binnenwereld van de analysant en hoe sterker de neiging om dit beeld te gebruiken voor een innerlijke therapeutische dialoog. Een voor haar onverwachte uitkomst betrof de relatie tussen de mate waarin een analyse bevredigend was en de mate waarin de analyticus als een ander werd ervaren, een compleet persoon. Deze waardering voor de ‹otherness› van de analyticus verraste haar, juist nu het accent in de hedendaagse analyse zo ligt op het onderkennen van het belang van ‹empathic attunement› en ‹moments of meeting›.
Kortom, een prachtig boek met veel klinisch relevant materiaal, dat ik van harte aanbeveel.

 

aanmelden nieuwsbrief

 

 

Home | Psychoanalyse nu | Opleiding | Onderzoek | Kwaliteitszorg | Verwijzers | Agenda | Boeken en artikelen | Linksnaar boven