homeover het npicontactcolofon

logoBoeken en artikelen

Sex, Death and the Superego

Bespreking van: Ronald Britton (2003): Sex, Death and the Superego. Experiences in Psychoanalysis. Londen: Karnac Books.

Kleiniaanse studies over hysterie, narcisme en het geweten

Marc Hebbrecht

Onze aandacht is gewekt door een prikkelende titel! Zal Sex, Death and the Superego ons inwijden in de geheimen van sex en dood die de psychoanalyticus mag beluisteren in de beslotenheid van zijn stille kamer? Zal Britton de stem van zijn geweten negeren en ons laten delen in het allerintiemste dat zijn patiënten hem hebben toevertrouwd? Met uitzondering van de pikante verhalen over Anna O. en Sabina Spielrein is dit boek een geheel van goed doordachte psychoanalytische essays. De eerste hoofdstukken behandelen de hysterie, dan volgen enkele bijdragen over de relatie tussen Ik en Boven-Ik en ten slotte een bespreking van narcistische problematiek.

Volgens Britton is de hysterie niet van het analytische toneel verdwenen maar ten onrechte weggegooid in de 'borderlinevergaarbak'. In de hysterie verwacht de patiënte de exclusieve liefde van de analyticus en houdt ze krampachtig vast aan een overdrachtsillusie die de andere erotische banden die de analyticus heeft, negeert. Anders dan bij de behandeling van borderlinepatiëntes voelt de analyticus zich niet gevangen of geterroriseerd maar juist heel bijzonder. Dit gevoel lokt hem in de valkuil van de erotische tegenoverdrachtsneurose. Hiervan zijn voorbeelden bekend uit de begintijd van de psychoanalyse: Breuer, Jung, Ferenczi; maar ook recentelijk: Masud Khan en de gevallen beschreven door Gabbard en Lester. Deze erotische tegenoverdracht wordt als volgt getypeerd. De analyticus voelt zich opgetogen over een patiënte die zijn creativiteit aanwakkert en zijn duidingen telkens met interessant materiaal beantwoordt. Hij voelt zich een ontdekker die - via haar - verborgen regionen van de menselijke psyche binnentreedt. Geleidelijk groeit een romantische illusie die hij niet durft door te prikken, vanuit de rationalisatie dat dit voor haar een te pijnlijke desillusie zal betekenen. Analyse van deze situatie maakt duidelijk dat de patiënte de analyticus verleidt in zijn rol van de geïdealiseerde, seksuele vader uit zijn eigen oedipale scenario terwijl hij aangezocht wordt diezelfde rol te spelen in haar oedipale scenario. Volgens Britton maakt de hysterische patiënte gebruik van projectieve identificatie waarbij ze de analyticus plaatst in de rol van de vader van zijn eigen oerscène en zichzelf in de rol van de moeder van haar oerscène.

In hoofdstuk 4 beschrijft Britton het Athena-Antigonecomplex waarbij de vrouw haar zelfwaarde afhankelijk maakt van het dochter zijn van haar vader. In de Athenapositie ontkent ze op een triomfantelijke wijze haar vrouwelijkheid (via fallische identificatie); in de Antigone-positie denigreert ze haar vrouwelijkheid meer subtiel door masochistische zelfopoffering. Alle toewijding gaat naar de zieke, gekwetste of aftakelende vader, die niet meer beschikt over zijn fallische macht. Zij blijft hem tijdens zijn neergang en over de dood heen alle eer betonen, waardoor zij kan delen in zijn vroegere roem. Wie denkt hierbij niet aan Anna Freud? Brittons bespreking van de relatie tussen ego en superego opent onze ogen voor sommige aspecten van psychoanalytische diagnostiek. Hij gebruikt bijvoorbeeld zijn tegenoverdracht om vier categorieën van psychische organisatie te onderscheiden. Door de borderlinepatiënt voelt hij zich getiranniseerd, de hysterica wekt interesse, de narcist dwingt hem in de rol van een intern object, de psychosomaticus raakt hem emotioneel niet. De kleinianen hebben aan het Ik een nieuwe inhoud gegeven: de denker van gedachten maar ook de instantie die aan sommige fantasieën de status van geloof toekent en dan toetst of dit waar is of vals. Aan de hand van de oudtestamentische Job en een praktijkvoorbeeld illustreert Britton hoe emancipatie van het Ik tot stand komt: het Ik maakt zich los van het strenge oordeel van een afgunstig Boven-Ik en eist het recht op te oordelen op grond van eigen interne kritiek en realistische waarneming. Vaak ligt een egodestructief Boven-Ik aan de basis van creatieve inhibities, zoals angst om te publiceren. Dit brengt hem tot een omschrijving van afgunst als een aangeboren kracht in de persoon. Afgunst is niet één psychisch element, maar een samengesteld iets. Afgunst omvat een begerig aspect (de drang om de attributen van het object te bezitten) en een xenocidaal aspect (men wil het object dat vreemd is en bron van storende gevoelens vernietigen). In het hoofdstukje over humor en het Boven-Ik geeft Britton voorbeelden hoe grappen aangewend worden om iets belangrijks weg te houden. De andere situatie komt ook voor: authentiek inzicht gaat dikwijls gepaard met een hartelijke lach. De analyticus kan humor veilig gebruiken wanneer de patiënt stevig genoeg gesetteld is in de depressieve positie. Op een paranoïd-schizoïde niveau wordt humor aangevoeld als minachting of belachelijk gemaakt worden.

In het derde deel lanceert Britton (samen met Perelberg) de visie dat er twee types van narcistische patiënten bestaan. De 'dikhuiden', synoniem voor onthechte narcisten, zorgen ervoor dat de analyticus zich onbelangrijk voelt en er maar niet in slaagt met hen in een gevoelsmatig contact te komen. De werkkamer voelt dan aan als een lege ruimte. Narcisten met een dunne huid maken de analyticus tot verlengstuk van hun eigen psyche. De analyticus voelt zich ingesloten en opgeslorpt; hij durft niets meer van plaats te veranderen in zijn kamer. Ook over het eigen woordgebruik voelt hij zich niet langer meester. Wanneer het hem niet lukt begrip perfect te verwoorden, wordt dit door de patiënt ervaren als een aanslag op diens psychische integriteit en niet als een gewoon misverstand. Volgens Britton gaat het bij narcistische stoornissen over een diepgaande moeilijkheid om psychische ruimte met een ander te delen. Narcistische mensen komen om die reden niet tot een gewone analyse of een gewone partnerrelatie. Britton gaat ervan uit dat een aangeboren factor meespeelt; de narcist zou lijden aan een soort allergie voor de psychische invloed van de ander.

Sex, Death and the Superego is een inspirerend boek dat vlot leest en door de vele voorbeelden uit de geschiedenis van de psychoanalyse (Sabina Spielrein), de bijbel (het boek Job), de Engelse literatuur (Parker, Hazlitt), de filosofie (Montaigne) en de mythologie een verzameling van luchtige essays vormt. Onze nieuwsgierigheid en kennisdrang worden erdoor aangewakkerd. De hoofdstukken over de erotische tegenoverdracht en over het egodestructieve Boven-Ik zijn het boeiendst. Zijn theorie over de kliniek van de narcistische stoornissen wordt warrig en haastig aan de lezer gepresenteerd maar bevat wel interessante gedachten. Britton schrijft beter dan hij spreekt; op conferenties komt hij nogal saai over maar zijn pen is dit zeker niet. Het boek is vooral geschikt voor clinici met psychoanalytische ervaring.

M. Hebbrecht is psychiater, psychoanalytisch psychotherapeut en psychoanalyticus.

 

aanmelden nieuwsbrief

Zie verder:

Bibliotheek NVPA

 

Home | Psychoanalyse nu | Opleiding | Onderzoek | Kwaliteitszorg | Verwijzers | Agenda | Boeken en artikelen | Linksnaar boven