homeover het npicontactcolofon

logoBoeken en artikelen

De herontdekking van het ware zelf

Bespreking van: Ingeborg Bosch (2000). De herontdekking van het ware zelf. Nieuwe inzichten en praktische oefeningen. Past Reality Integration therapie (2e herziene druk, 2001). Houten: Van Holkema & Warendorf.

Psychoanalyse en zelfhulp

Gertie Bögels

Gegrepen door Alice Millers Het drama van het begaafde kind (1979) ontwikkelde Jean Jenson een 'praktische zelfhulpversie': Op weg naar je ware zelf (1997). Ingeborg Bosch schreef daar weer een 'vernieuwde en meer effectieve' therapeutische variant op: De herontdekking van het ware zelf (met een voorwoord van Jenson). Er is blijkbaar een rechtlijnige verbinding tussen Miller, Jenson en Bosch. De teneur van beide boeken is ook zeer verwant aan het werk van Alice Miller. Als toen nog toegewijd praktiserend psychoanalytica schreef Miller enkele artikelen over narcisme en de uitwerking daarvan in de psychoanalytische behandeling en in de opvoeding. Miller behandelt daarin onder meer de problematische verhouding tussen de narcistische ouder, meestal de moeder, en het begaafde, kwetsbare, kind. Miller breidt deze visie uit tot de problematische verhouding tussen de narcistische analyticus en diens cliënt. Met de beschrijving van de excessen in de opvoeding wordt een verbinding gelegd naar de therapeutische relatie.

De dialectiek die zich vanuit Millers werk opdringt, vormt een centraal thema in het gehele psychoanalytische wetenschapsgebied (Bögels 1997). De psychoanalyse heeft als pijnlijk dilemma dat men een bepaalde mate van positieve levenservaring moet hebben gehad, wil men ervan kunnen profiteren. Wat in het psychoanalytisch jargon heet: de vroege objectrelaties, moeten van een voldoende emotioneel bindende en affectief stimulerende kwaliteit zijn geweest wil men een analyse überhaupt kunnen verdragen en er baat bij kunnen vinden. Het bijbelse en wrede: 'Wie heeft, hem zal gegeven worden', is ook hier van toepassing. Bij onvoldoende good enough ervaring in de vroegste babytijd kan de emotionele intensiteit van de psychoanalytische behandelrelatie later ofwel niet tot stand komen, ofwel leiden tot een te sterke, onoplosbaar reële afhankelijkheid, waarbij de toxische werking van de vroege ervaringen het therapeutisch proces kan gaan verstoren.

De kern van Millers werk vormt het beschrijven van de 'zwarte pedagogiek': het machtsmisbruik door, altijd zelf als kind mishandelde of misbruikte, opvoeders dat onder de camouflage van 'noodzakelijke opvoedingsmaatregelen' wordt uitgeleefd. Het is haar grote verdienste dat zij daarmee een thema centraal stelt dat nog steeds op grote schaal in onze samenleving wordt miskend. In het boek van Bosch zijn enkele cruciale kenmerken van het werk van Alice Miller duidelijk herkenbaar. Naast het gebruik van psychoanalytische terminologie en de causale visie op de menselijke ontwikkeling, zij het soms zeer vereenvoudigd weergegeven, wordt de nadruk gelegd op de zelfhulptherapie. Ook in de huiver voor langer durende afhankelijkheidsrelaties valt de weerklank van de 'zwarte pedagogiek' van Miller te beluisteren.

Hierbij past de huiselijke toon van de peergroup in het woord vooraf, in de tweede persoon enkelvoud gericht tot de lezer over 'het boek dat je nu in je handen houdt' en dat veel praktische informatie biedt 'die je kan helpen bij je helingsproces'. Het als vernieuwde therapie aangekondigde geheel van praktische oefeningen heeft ook een, zelfs geregistreerde, naam gekregen: 'Past Reality Integration therapie' (PRI), die als hoofddoel nastreeft het integreren van de werkelijkheid van het verleden. Bij de theoretische beschouwingen rond de gepresenteerde casuïstiek krijgt men voortdurend het gevoel van déjà vu: wat is het verschil met het herbeleven van onverwerkte ervaringen in de psychoanalyse? Ook de ontdekking van afweermechanismen is natuurlijk niet nieuw, alleen zijn deze in het systeem van Bosch tot een heel simpel niveau teruggebracht. Zo is er de afweer 'valse hoop', en 'valse macht' en als derde: 'primaire afweer'. De laatste vorm heeft te maken met het onvermogen de 'oude pijn' uit de kindertijd te voelen. Men herontdekt ook het fenomeen dat 'het voelen van de pijn, het rouwen of het huilen alleen niet meer beschouwd wordt als de weg naar heelwording. Om te helen zullen we ook op een cognitief en gedragsmatig niveau actief moeten zijn'.

Rechtstreeks afkomstig uit Millers verhandelingen over 'schwarze Pädagogik' is de mismoedige toon over 'opvoedkundige methoden, die geaccepteerd en zelfs gestimuleerd worden door onze cultuur, [die] onze kinderen in feite verwonden en beschadigen, zoals ook wijzelf verwond en beschadigd zijn'. Niemand zal kunnen ontkennen dat er in gezinnen op grote schaal sprake is van kindermishandeling, misbruik, intimidatie en verwaarlozing, maar dat is niet de hele realiteit. Er is ook sprake van machtsmisbruik en seksueel misbruik in allerlei andere afhankelijkheidsrelaties, waaronder therapeutische relaties. Binnen de gevestigde religieuze en maatschappelijke instituties wordt machtsmisbruik en seksuele intimidatie op grote schaal genegeerd of gebagatelliseerd, maar ook dat is niet de hele realiteit.

Wat het meest opvalt is de teneur die zich ook bij Miller uiteindelijk ontwikkelt: therapie moet kort zijn, want de afhankelijkheidsrelatie met de therapeut vormt een gevaar voor de ontplooiing, komt te dicht bij de 'zwarte pedagogiek'. Men streeft daarom eerder naar een 'zelfhulpproces', met praktische oefeningen en zelftests, zoals ook in dit boek.

De angst voor de intensiteit van overdrachtsfenomenen die een rol gaan spelen bij langer durende psychoanalytische behandeling wordt tot uiting gebracht in zinnen als: 'Ik wil graag benadrukken dat PRI erop gericht is de cliënt zo snel mogelijk onafhankelijk van de therapeut te maken', en dat daarmee 'jarenlange therapie en afhankelijkheid van de therapeut in het algemeen voorkomen [kan] worden' (p. 22).

Wat het déjà-vugevoel betreft nog een saillant voorbeeld: Jensons opmerking over een buitengewoon interessante observatie van Bosch - namelijk dat afweermechanismen kunnen leiden tot, in plaats van voortkomen uit, gedrag dat gewoonlijk als psychiatrische afwijking wordt beschouwd - is opvallend, aangezien over soortgelijke observaties een overvloed aan psychoanalytische en psychiatrische literatuur bestaat.

Toch is het boek, evenals de publicaties van Alice Miller, van wezenlijk belang. Het richt zich onuitgesproken tot diegenen die, als gevolg van te ernstige tekorten of beschadigingen, onbereikbaar zijn voor psychoanalytische behandeling of - beter gezegd - voor wie de psychoanalyse als behandelingsvorm niet toereikend is. In de beschreven zelfhulptechniek wordt het gevaar van een niet werkzame of zelfs destructieve overdracht vermeden door het minimaliseren van het contact met de therapeut en ook door de handzame, praktische lijstjes die de zelfhulp moeten begeleiden. Nadrukkelijk bedoeld voor leken, neemt dat niet weg dat het boek voorzien is van wervende teksten voor het volgen van een opleiding tot PRI-therapeut. Het is bestemd voor de onafzienbare groep mensen die zich aangesproken voelt door het statement: 'PRI-therapie gaat ervan uit dat kinderen niet krijgen wat ze nodig hebben.'

Literatuur
Bögels, G. (1997). Psychoanalyse in der Sprache Alice Millers. Würzburg: Königshausen & Neumann.
Jenson, J. (1997). Op weg naar je ware zelf. Houten: Van Holkema & Warendorf.
Miller, A. (1979). Das Drama des begabten Kindes und die Suche nach dem wahren Selbst. Frankfurt: Suhrkamp.

Dr. G. Bögels is psychiater en psychoanalytica, opleider/supervisor, vrijgevestigd te Nijmegen.

 

aanmelden nieuwsbrief

Zie verder:

Bibliotheek NVPA

 

Home | Psychoanalyse nu | Opleiding | Onderzoek | Kwaliteitszorg | Verwijzers | Agenda | Boeken en artikelen | Linksnaar boven