In Therapie: realistisch drama, maar geen werkelijkheid
In het jubileumnummer van Npinformatief (december 2011) verscheen een interview met Peter Blok die de tweede serie In Therapie Jonathan Franke, de therapeut speelde. Hier publiceren we de lange versie van dit interview. Peter Blok over zijn ervaringen met het maken van In Therapie.
Hoe kijkt een acteur die in de huid van een therapeut kruipt, tegen zijn rol aan? En tegen therapie in het algemeen? Een gesprek met Peter Blok, alias psychotherapeut Jonathan Franke. Net als in therapie spelen ook bij In Therapie ‘van binnen’ (het karakter) en ‘van buiten’ (de rol) een rol.
In Therapie is drama. De vraag of wat we zien ‘klopt’ met de praktijk van therapie is wellicht minder interessant dan de constatering dat een grote groep mensen het voldoende interessant vindt om te volgen wat er zich afspeelt in het contact tussen een aantal fictieve patiënten en hun fictieve therapeut. Blijkbaar boeit het veel mensen wat er zich, behalve hersenen, ‘tussen de oren’ kan bevinden.
Hoe ben je eigenlijk in de rol van Jonathan terecht gekomen?
‘Toen bleek dat Jacob (Jacob Derwig, die in de vorige serie de therapeut Paul en in de tweede Paul als patiënt speelt, red.) zich niet kon vrijmaken, is de producent verder gaan zoeken. Ze wisten dat ik los van een toneelstuk ’s avonds vrij was en hebben natuurlijk ook een type, een bepaald soort uitstraling gezocht. Ik had veel interesse en werd uitgenodigd om met de regisseur een proefsessie te doen, om te kijken of het klikte en we hetzelfde doel voor ogen hadden, en dat bleek zo te zijn.’
Hoe was het om In Therapie te maken?
‘Vergeleken met hoe andere series worden gemaakt is het een heel intensief proces en volstrekt uniek. Bij andere series duurt een scène maximaal drie minuten, en dan komt er een andere, pas in de montage komt de chronologie tot stand. Bij In Therapie draaiden we soms wel een kwartier. Dat komt ook door de manier van opnemen, je zit tegenover elkaar. Het levert een voor televisie ongekend lange spanningsboog op, die je normaal alleen bij toneel hebt.’
Had jij inhoudelijk iets met therapie?
‘Een paar jaar geleden had ik een interview met Frenk van der Linden in de serie 30 Hoog. Een van de drie voorwerpen die ik op verzoek had meegenomen als aanknopingspunten voor een persoonlijk gesprek, was een pagina uit de Psychologie, met allerlei advertenties van opleidingen en therapieëen enzovoorts. Die had ik ooit uitgescheurd tijdens een dip in m’n werk. Ik was het contact met mijn eigen motivatie en creatieve energie wat kwijt en overwoog om iets in die richting te gaan doen. Mensen blijven me zo interesseren, het lijkt me een erg mooi vak om er in elk geval iets aan bij te dragen dat mensen wat meer zicht op de zaak krijgen. Maar ik heb het niet doorgezet – nooit onderzocht wat ik dan precies zou willen doen. Wel is me duidelijk geworden in die tijd dat ik een zingevingsprobleem had en een gesprek met iemand die mij op basis van de inzichten uit een getrokken horoscoop – ook een van de voorwerpen die ik meegenomen had, verder heeft geholpen.’
Psychologie als ingang voor een rol.
‘Interesse in mensen en de psychologie is voor mij ook altijd de ingang voor een rol. Sommigen spelen meer vanuit een literaire fascinatie of via associaties met beelden, of zoeken een fysieke benadering, maar voor mij begint spelen altijd bij de psychologie. Jonathan als karakter is niet zo’n goed voorbeeld, omdat hij heel constant is en weinig ontwikkeling kent. In die zin was die rol minder interessant dan een karakter dat op plaats x begint en bij y eindigt en een hele route aflegt. In de rol van Jonathan had ik als acteur ook wel eens moeite met het constante aangeven: ‘Heb je dit al lang’, ‘Vertel er eens wat meer over’, om niet het gevoel te hebben alleen als een soort repeteerwekker de anderen aan te zwengelen. Wanneer mag ik dan ‘ns, kwam wel eens in me op.’
In jouw geval valt de acteur samen met de therapeut…
‘Natuurlijk, een therapeut kan dat niet, die zit er niet voor zichzelf, maar voor die ander. Maar ik zit in mijn eigen vak! Het was weldadig geweest om als Jonathan een stuk servies neer te kwakken,of iemand de huid vol te schelden, gewoon om maar even een andere kleur te voelen dan het constante, emotioneel vlakke. Maar als ik wel een rol speel, met veel kleuren en veel kanten, dan merk ik dat ik altijd met psychologie begin. Wat gebeurt er feitelijk, wat denkt het personage dat er aan de hand is. Welke drijfveren sturen hem, welke daarvan kent hij zelf, en welke niet. Daarom lees ik een script als een cryptogram. Voor een deel ligt het karakter in het verhaal, en voor een deel is het mijn verbeelding die het vormt.’
En dan komt het moment waarop de investering uit jezelf erbij komt.
‘Ja, in de zin dat het kan gaan om gevoelens of drijfveren die je minder kent van jezelf. Je moet het lef hebben om jezelf toe te staan om heel zwarte kanten te erkennen om bijvoorbeeld depressie of suïcidaliteit overtuigend te kunnen spelen. En er is maar een criterium, nl. dat je het zelf gelooft, en dat vergt dat je er heel dicht bij in de buurt komt.
Zwarte kanten erkennen aan jezelf… dat heeft raakvlakken met wat mensen in therapie doen.
‘Ja, hoewel… Een toneelspeler doet het uit kracht, hij weet altijd: na het spelen of repeteren, ga ik koffiedrinken en dan is alles weer weg. Therapie is moeilijker, omdat het niet goed met je gaat. Het vergt meer moed, omdat het ingrijpt in je leven.’
In een therapeutische relatie is er sprake van ‘moments of meeting’; typische momenten waarvan therapeut en patiënt weten, op een onderhuidse manier – hier is iets veranderd. In die serie leken die momenten haast tastbaar te zijn.
‘Dat is een compliment aan de acteurs, maar zo’n moment spreek je af met elkaar, rondom een zin of een cue. Een opmerking als ‘Maar vond je dat niet lastig dan’, wordt terloops, maar wel zo invoelend, warm en uitnodigend gesteld dat het andere personage erdoor overvallen wordt. De acteur van dat personage moet zich zo laten raken, dat de therapeut, personage 2, dat herkent en dan daarop intensiveert. Maar die stappen overvallen ons niet. Het is een kwestie van timing, van afspraak en van professionaliteit. Het verschil tussen een professionele acteur en een amateurspeler is dat de eerste dat vijf keer per dag, exact op die manier en weer spontaan kan laten gebeuren – zoals bij de opnames van deze serie. En vervolgens moet zo’n moment weer worden benadrukt via de montage.’
Hoe moet een leek het gesprek tussen en Jonathan volgen? Overdracht, tegenoverdracht of parentificatie zijn geen alledaagse woorden. Haken de mensen dan niet af?
‘Zo heel veel kwam dat jargon ook niet voor en bovendien ging het hier, net als bij de andere paren – dat zal denk ik in een therapiesituatie niet veel anders zijn - om wat er onder het niveau van de taal gebeurt. Ik hoef ook inhoudelijk niet te snappen wat er in een directievergadering van een chemisch bedrijf wordt gezegd, om heel goed te kunnen volgen dat, bijvoorbeeld, de man met de baard, die andere man in zijn geruite hemd, niet kan uitstaan. Per definitie is dat het drama. Het gesprek volgen is meegenomen, maar het gaat erom dat je antennes bediend worden op alles wat eronder ligt. Een kijker voelt het haantjesgedrag tussen Paul en Jonathan op dat onderliggende niveau.’
‘Er spelen hier natuurlijk ook verwachtingen mee. Het publiek kent Paul uit de vorige serie, en verwacht: dat worden twee haantjes in een kippenhok. Voor ons als acteurs betekent het nadruk leggen op waar dat duidelijk wordt, of waar ze technieken tegenover elkaar hanteren, of juist waar het contact menselijk wordt. Met een collega-professional kan dat heel subtiel. Voor mij als acteur is van belang of ik een collega-professional tegenover me heb of niet. Zo niet, dan komt mijn vak in het geding; kan ik wel zo subtiel spelen.’
Wat vond je zelf de best geslaagde chemie bij de karakters?
‘Dat kan ik nog niet beoordelen voor het uiteindelijke resultaat. Over een jaar, of een half jaar misschien. Ik kan nog helemaal niet ‘gewoon’ kijken, omdat ik allereerst als professional kijk, zo’n beetje als een kok in een goed restaurant die ’s avonds zijn eigen eten proeft en dan totaal niet de ervaring heeft die zijn gasten die avond hadden. Maar ook speelt mee dat de opnames nog te vers in het geheugen liggen. Iedere sessie werd op één dag opgenomen. Dus ik krijg steeds triggers: je ziet een miniem zweetdruppeltje en je denkt terug, o ja, dat was die dag dat het zo heet was, met alle ongemakken, zweten door je overhemd, overhemd uit, moet gestreken worden, weer aan. Of andere triviale dingen. Er trilt nog zoveel mee, dat ik niet meer, of liever, nog niet, onbevangen kan kijken. Daarvoor moeten die herinneringen de kans krijgen om weg te zakken. En de montage overvalt me: ik weet wat er komt, maar ik weet niet hoe de scène gesneden is. Ook dat zit in de weg.
‘Tijdens de opnames ben je doelgericht met je vak bezig en in het spel kan ik natuurlijk wel heel goed beoordelen wat goed gaat, wat anders moet, wat scherper, wat trager. Maar pas achteraf, met afstand en bij het gemonteerde eindresultaat, kun je beoordelen of wat je bedoelde te doen, er ook goed uitkomt.’ Vanuit het draaien staan mij de opnamen met Paul en Wouter nog het meest bij.’
Welke ‘patiënt’ vond jij als Jonathan het prettigst om mee te ‘werken’?
‘Een heel interessante was de Wouter van Jeroen Krabbé, die als een soort tank binnenkomt. Deze man in therapie, daar voel je al een soort tegendraadse beweging: dat wordt lastig. Eigenlijk vond ik ze allemaal wel erg leuk. Paul was leuk omdat hij een collega speelt. De sessies met het jongetje Olivier hebben het element van de ouders erbij, waardoor er meer dynamiek ontstaat, het is anders dan in de een-op-eensituaties. Het leuke aan de Marit-figuur is dat ze de meest persoonlijke weerslag heeft op Jonathan.’ Peter lacht: ‘Nou noem ik ze praktisch allemaal.’
Een professioneel dilemma voor Jonathan?
‘Marit en Jonathan delen een therapeutisch verleden samen. In de laatste aflevering doet Jonathan een ontboezeming aan haar. Hij neemt zelf het woord, en je ziet dat hij het besluit neemt om dat te doen, omdat de relatie met Marit een andere is dan een gewone patiënt-therapeutrelatie. Aan de ene kant overschrijdt hij daar de grenzen van professioneel gedrag. Maar je voelt dat hij karakter toont en zich deze keer niet achter zijn vak wil verschuilen. Dat waardeer ik in hem. Want het hoort ook bij professionaliteit om te weten wanneer je juist niet langs de lijntjes moet opereren. Dit was zo’n moment waarop hij en hopelijk de kijker ook, beseft dat hij dit op eigen karakter moet doen. Het is tegelijk niet goed, maar wel beter. Voor mij was het dé kans om binnen die rol iets persoonlijks te doen.’
In hoeverre heeft Jonathan zijn patiënten echt geholpen?
‘Ik vind dat Wouter geholpen is, Sacha, de oester, gedeeltelijk geholpen, Marit is niet geholpen, eigenlijk heeft ze het zelf gedaan, en Oliver en zijn ouders zijn uit de narigheid en op weg geholpen. Maar die zijn nog niet klaar! Van Paul weet ik het niet. In dat karakter speelt een vertroebelde relatie tussen zijn beroepsidentiteit en zijn privépersoon een rol. Dat heeft ook gevolgen gehad voor het karakter van Jonathan.’
Hoezo?
‘Het was een complicatie dat Jacob (red., die Paul, de behandelaar in de eerste serie speelde), dat niet in de tweede serie kon doen wegens andere verplichtingen. Toen is voor de tweede serie opnieuw gekeken naar hoe die nieuw te introduceren therapeut moest zijn, samen met de Israëlische bedenker van de serie. We wilden een therapeut neerzetten, die niet strikt onpersoonlijk is, niet alleen een vat met kennis die een spiegel voorhoudt. Er moet iets kunnen gebeuren, het is drama. En dan liever een therapeut als Jonathan, die soms een beetje buiten de lijntjes kleurt van zijn vak, maar uitstekend privé en beroep kan scheiden, dan een Paul, die in zijn persoonlijke leven zijn impulsen niet goed meer kan voelen omdat hij nooit loskomt van het besef dat hij therapeut is. En zelf wilde ik een nuchtere invulling van de rol. Betrokken en ernstig, oprecht, maar niet kinderachtig. Jonathan zal niet doen alsof hij je problemen kan oplossen. Je kunt van hem de reactie verwachten: Welkom in het leven. Zo heb ik hem neer willen zetten. Ook al omdat ik dat zelf ook zou willen, als ik in therapie was. Serieus genomen worden, maar ook duidelijkheid.’
Is door het spelen van de rol jouw beeld van wat therapie is, nog veranderd?
‘Ja. Ik heb gemerkt dat er een lijn zit, een route, die achteraf te zien is, hoe de therapeut iemand bij de hand heeft genomen, of geconfronteerd heeft en dan ergens is uitgekomen. Dat weet een therapeut niet van te voren, al is er sprake van een methode of een serie technieken om mensen aan de praat te krijgen, of aan de praat te houden of mensen te brengen in een gebied waar ze nog niet eerder zijn geweest. Ik had eerder veel meer het idee dat een therapeut een aantal technieken had en die toepast of inzet. Maar door die scenario’s te lezen, en die lange sessies te doen, kreeg ik het gevoel dat het proces veel intuïtiever is dan ik eerder dacht. Soms stelt een therapeut een vraag waarvan hij zelf ook niet weet, waarom wil ik dat nou weten…..’
‘Daarnaast speelt de aandacht een crucialere rol dan ik dacht. Als Jonathan iets op een zeker moment opviel in het verhaal van een patiënt, dan maakt hij niet in zijn hoofd een aantekening, maar vroeg er meteen iets over, omdat hij anders, merkte ik, niet vrij zou zijn om open te blijven luisteren. Hij zit daar voor die patiënt, en hij zorgt steeds dat iemand het volle pond van de aandacht krijgt. Ik denk dat een patiënt al opknapt van het idee dat hij een vast uur heeft waarop die aandacht 100% voor hem is!’
Zou je nog een serie Jonathan willen spelen?
‘Er zijn momenteel geen plannen voor. In de Israëlische versie waar hier de rechten van zijn gekocht, is er geen derde reeks, omdat bij hen de therapeut er aan het eind van de tweede reeks mee stopt. Los daarvan, noch ik, noch Jacob Derwig hebben volgend jaar tijd. Hoe dan ook, als ik het nog eens zou doen, dan alleen in een veel gespreider productieschema: we deden nu vijf afleveringen in twee weken. Dat is voor de filmploeg geen probleem, maar qua teksten leren is de belasting enorm. Een aflevering per dag betekent 25 pagina’s tekst per dag leren. Bij benadering of ongeveer leren gaat niet, omdat juist in zo’n therapiesessietekst heel veel afhangt van betekenisvolle woorden, met daarmee samenhangende subtiele stiltes, aarzelingen. Het zit als een muziekstuk in elkaar en luistert heel nauw. En je moet de tekst zo vertolken dat mensen denken dat er gewoon gepraat wordt. Dat heeft tijd nodig: eerst leren, dan zo vrij worden in de tekst dat het natuurlijk klinkt.’
Complicaties bij scenarioschrijven.
‘Wat de moeilijkheid is bij het schrijven van fictie of drama is dat de personages voor 70% hun drijfveren niet kennen. Personages weten niet wat er met ze aan dehand is. Wat ze zeggen lijkt wel communicatie, maar is het maar ten dele. Een dramaschrijver laat die personages allerlei dingen formuleren, maar het gaat veel meer om wat wij daaronder horen of lezen wij wat er eigenlijk aan de hand is. Een personage brengt niet onder woorden wat er met hem aan de hand is, hij toont het in het gedrag en onder wat hij zegt, waardoor wij dat weten, of leren kennen. Je weet dat twee personages verliefd zijn, zonder dat een van beiden heeft gezegd: Ik vind jou wel leuk.’ ‘Don’t tell, show’.
Bij In Therapie was het precies omgekeerd: daar is het ‘Don’t show, tell’: alles moet geeëxpliciteerd worden. In het begin ging dat enorm tegen mijn gevoel als acteur in, waarin je altijd onder de tekst met die onderliggende 70% bezig bent. Het was in het begin erg moeilijk om te bepalen wat je nog speelt, als wat je uitspreekt (‘Vertel me wat je dwars zit’) precies samenvalt met de drijfveer eronder (‘Ik wil graag dat je me vertelt wat je dwars zit)? Waar vind je dan de normale dobber, waar je als acteur op zit? Dat was wel weer heel spannend. Ik ben heel blij dat ik het gedaan heb, het was een unieke ervaring.’
Tekst: TextAbility, Gerdie Kienhorst
Lees ook: Van binnen en buiten







